Ondanks mijn incestueuze dictatorvader heb
ik toch mooie herinneringen aan mijn kindertijd. Dat kon enkel als hij, zijn
naam is Kamiel, afwezig was; op dagen dat hij naar Brussel pendelde en grimmig,
met zijn aktetasje in de hand geklemd, naar het werk stapte. De Bouwkroniek was
zijn werkplaats. Daar speelde hij journalistje, zonder ooit Journalistiek te
hebben gestudeerd. En daar publiceerde hij zijn onleesbare stukken onder de
naam Rimpel. Om je dood te lachen, maar dat mocht niet want dan weigerde Kamielkeizer
minstens 3 weken het woord tot je te richten. Voor mij was dat meestal een
opluchting maar kom… Dat verhaal is voor een andere keer.

Ik had fantastische grootouders (boeren) en ik woonde op het platteland
(Baardegem), in een huis op een stuk grond dat zij aan mijn ouders geschonken
hadden – dat soort schenkingen deden mijn ouders enkel aan mijn jongste broer
(een koekoeksjong).

Ik heb echter mooie herinneringen, gouden herinneringen, aan mijn kindertijd
(9, 10 en 11 jaar oud?), onder andere dankzij mijn grootouders.
In mijn straat woonden verschillende kinderen van mijn leeftijd en ietwat
jonger.
Samen zwierven we bijvoorbeeld door Kravaalbos waar Albert II (volgens de Sus,
het lief van mijn moeder Monique – hij is al een paar jaar dood) nog vaak heeft
liggen rampetampen met zijn vriendinnetjes. Er bestaat zelfs het verhaal dat
zijn BMW daar ooit in de modder vast zat en hij de plaatselijke politie moest
vragen zijn auto te komen bevrijden. Is dat waar? Is het fantasie? Ik weet het
niet.

Kravaalbos was echter privédomein en – heel spannend – we moesten de boswachter
verschalken want wij mochten daar van de eigenaar niet spelen. Daarnaast
zwierven we graag door de velden en speelden cowboy en indiaantje.

Rechtover mijn ouderlijk huis was/is een bloemisterij (vroeger Blindeman) waar
we met de zoon Jan verstoppertje speelden en in een grote hangar op een kast
ons hoofdkwartier hadden, tussen de spijkers en muf ruikende afgedraaide olie
en werktuigen.
In onze straat stond ook het toen nieuwerwetse molencomplex, opgetrokken uit
betonnen blokken. Molens Monsieur: een spuuglelijk gebouw en van oudsher in
handen van de familie Monsieur. Monsieur is de naam van mijn grootmoeder die in
het aanpalend huis het licht zag; de molen heeft nu een totaal andere naam. Met
onze speelkameraden, mijn broers en met Honoré, mijn neef en de jongste zoon
van de familie Monsieur (broers van mijn grootmoeder beheerden de molen) slopen
we tot in de hoogste toren om dan afrijzertje te spelen zoals de zakken bloem
dat deden. Dat was eigenlijk heel gevaarlijk.
Om dan betrapt te worden en gauw weg te lopen voor een goed pak slaag – dat
alleen Honoré moest incasseren van zijn veel oudere broer Kamiel. De traditie
in de familie was dat iedere oudste zoon Kamiel heette – een lelijke naam als
je het mij vraagt.

Vaak speelden we ook op de oude afgedankte grijze molenstenen, die naast de
molen lagen.

En dan was er ook de (lelijke) vierkantshoeve van mijn grootouders, waar we
stiekem op de immense zolders rond liepen en allerlei ontdekkingen deden:
koffers vol oude kleren (= verkleedpartijen), afgedankte meubels en oude
paardenhalsters, de kuipen met gezouten varkenshespen… om nog niet te spreken
van de hooizolder waarin we ravotten tot we onder het stof zaten en onze kleren
vol hooi. Of de geheimzinnige kille patattenkelder waarin ook de geoogste
appels werden bewaard om ze te verwerken tijdens de winter.
Mijn grootouders hadden ook verschillende boomgaarden vol pruimen- en
appelbomen. Ik at me vaak ziek aan de pruimen – de lekkerste die ik ooit in
mijn leven heb geproefd. Mijn grootouders zeiden over pruimen altijd: diegene
die de wespen willen, zijn de beste. Meestal hadden die pruimen al ‘gebloed’
(gestold geel pus) maar we pulkten dat er af en ja, dat waren de beste en
zoetste pruimen. Dat soort gehavende pruimen of wormstekige appels eten krijg
je aan de huidige klinisch gebrainwashte generatie niet meer verkocht.

Met nostalgie denk ik aan de oude, reusachtige magnolia, waarin ik klom en uren
bleef zitten – ook als ik naar school moest en mijn grootmoeder me vergeefs
naar beneden sommeerde. De schat vertelde dat allemaal niet aan mijn vader
omdat ze wist dat haar sadistische zoon losse handjes had. Iets wat hij,
vertelde ze vaak heel verdrietig, nooit thuis had gezien, omdat hijzelf nooit
slaag had gekregen, wel integendeel…

In de houtoven, naast het woongedeelte, bakte mijn tante (ongetrouwd en
inwonend bij mijn grootouders) samen met mijn grootmoeder iedere week brood
voor gans de familie in de straat. In de houten trog, voor de gelegenheid
opgesteld in de keuken, mochten wij als kind dan deeg kneden en vormpjes maken
(poppetjes vond ik leuk) die nadien ook werden afgebakken. En daar bijna
iedereen in de straat familie was, maakte Tafin (tante Josefien) voor iedereen
soep. Met een grote ketel liepen we dan van deur tot deur en iedereen nam er de
nodige pollepels uit tot we aan Molenstraat 12 (nu Melkspinde of zoiets)
kwamen. Dat was waar ik woonde. Mijn moeder goot de soep uit in tupperware
dozen en kwam daar dagen mee toe. We waren verzot op de tomatensoep.

Iedere dag was er verse melk. Ik had en heb nog altijd liefst de rauwe melk.
Die smaakt naar ‘toen’.

In de beek in de Molenstraat vingen we kikkervisjes …

En dan de zomerse dagen: bijna alle velden rondom ons huis waren van mijn
grootouders. Als de aardappels werden gerooid, mochten we mee. Het was een
magisch feest als ‘s avonds het loof in brand werd gestoken. Het geknetter, de
vonken, de rook… We gooiden aardappelen in het vuur om ze nadien op te eten.
Voor mij blijven het de lekkerste aardappelen ooit geproefd.

En als het stro werd binnen gehaald… Wat een avontuur: we hielpen alles zo
hoog mogelijk optasten met de riek. Ik mocht soms zelfs met de tractor rijden
(vooruit en langzaam, hé) terwijl de gespierden onder ons de hoekige strobalen
op de aanhangwagen gooiden. De kleinsten stapelden alles op de kar tot ze zo
hoog zaten dat zelfs mijn krachtpatser van een nonkel Gustaaf er geen bussel
stro meer opgegooid kreeg. Nadien reden we naar de schuur, allemaal ofwel joelend
op die strobalenkar ofwel op de tractor, naast Gustaaf, onder oorverdovend
lawaai en zo fier als een gieter, want mijn nonkel had de nieuwste tractor van
het dorp… Eens thuis moesten we in bad en onze armen en benen jeukten van de
schrammen door dat stro. Dat kon ons geen moer schelen.

We woonden in een straat waar bijna nooit auto’s kwamen, behalve dan die van de
mensen die er woonden – tot mijn broer voor onze ogen overreden werd door een
‘buitenstaander’ die keuze had tussen een kind aanrijden of tegen de
telefoonpaal rijden. Hij reed liever een kind aan en mijn broer liep een
dubbele beenbreuk op. Toen pas begrepen we dat we niet zomaar zonder ‘omzien’
op straat konden spelen.

Ach… Mulan heeft op een bepaalde manier geluk gehad toen ze kind was: zij
heeft de immense natuurvrijheid gekend zoals ik. Zij in de weidse bergen (waar
wij woonden in Les Arcs is het totaal autovrij) en waar iedere inwoner van het dorp wist dat
zij hét kind van de Lamparo (het restaurant dat ik daar vroeger uitbaatte) was
en dus untouchable, waardoor ze kon zwerven zonder angst en bij iedereen naar
binnen mocht en kon bestellen wat ze wilde (ik ging nadien wel betalen),
waardoor ze naar gites kon trekken met haar oudere zus en daar overnachten, en ze de marmotten en springbokken kon observeren: de natuur was haar wereld, ze
was vrij. In de winter skiede ze en ze kende alle bergen bij naam en alle
skipistes op haar duimpje.
Zij weet wat het is…die vrijheid kent ze.

Zelf weet ze ook, net zoals ik, dat haar kinderen ooit enkel de kooi, de
gevangenis van een klein erf zullen kennen. Haar kinderen en de meeste
kinderen, kennen enkel de omheining, de afbakening van het domein(tje). Ze
zullen nooit beseffen dat ze in een gevangenis zijn geboren en daarin zullen
sterven.
De straat betekent een zekere dood of handicap, de bossen een reëel gevaar een
gek tegen te komen die een onschuldig kind kapot maakt. Enzovoort enzovoort.
Ik troost me met één ding: al die kinderen weten van niet beter en zijn
tevreden met de gevangenis die we hen bieden.

Als ik zie hoe alles nu is, denk ik soms dat ik (ondanks alles) toch een beetje
Pallieter in sprookjesland was, want tot mijn 13de had ik echt wel een
zorgeloze kindertijd – behalve dan dat we (één broer en ikzelf) iedere avond
slaag kregen van mijn vader. Maar dat vonden we niet zo erg. We vonden dat
normaal of dachten dat het normaal was.
Het was bovendien leuk (en een sport) zoveel mogelijk kattenkwaad uit te halen
waar hij niet achter kwam. Dus: hoe meer hij ons sloeg, hoe meer we dingen
uithaalden waarvan we slinks hoopten dat hij het nooit te weten kwam en dan
voelden we ons slimmer dan hij en lachten we hem (achter zijn gat) ferm uit: we
hadden de tiran in de luren gelegd, dat was een spannend avontuur, zelfs al
waren we vaak/meestal de klos.

Mijn horrorstory begint pas echt op een bepaalde kerstavond, toen ik in oktober
van dat jaar 13 jaar was geworden. Mijn kerstgeschenk was dat mijn laveloze
vader mij toen herdoopte tot Tietje en mijn broers dwong mij zo
aan te spreken. Ik mocht mijn eigen voornaam niet meer dragen. Ik werd door mijn
vader gereduceerd tot 2 borstjes. Ik moest Tietje zijn omdat hij die
ontluikende tietjes absoluut wilde betasten en kussen en likken.
Tja…
Mijn smeerlap van een vader heeft mijn jeugd (en al wat daarop volgde) echt wel
goed verkloot. Met alle gevolgen van dien. Zijn verweer blijft ook nu nog dat
hij ‘verliefd’ was op mij.
Leg mij maar eens uit hoe je verliefd kunt zijn op je eigen dochter nog wel, je
eigen kind dat je eerst – tot ze een meisje blijkt te zijn – zo veel mogelijk
iedere dag verrot hebt geslagen, en dat jaren lang.

Monsters zijn de wereld niet uit en mijn vader mag zich met trots melden in de
galerij van psychopaten die hun daden op alle mogelijke manieren
vergoelijken en hun eigen verantwoordelijkheid ontlopen. Vangheluwe had
zijn broer kunnen zijn.
Daarnaast vindt dat soort hufter wel altijd een onnozele kalle die hem
verdedigt. Zelfs Kim Van Gelder en Dutroux hebben achterlijke en geesteszieke
bewonderaarsters, nietwaar.